Socmut-studie: Gezondheidsongelijkheid blijft alarmerend groot

14 mei 2019

Ziek zijn mag niet arm maken, arm zijn mag niet ziek maken. Het is een stelling die kan rekenen op een grote consensus. Maar helaas, de feiten tonen dat dit absoluut geen realiteit is. Het Socialistisch Ziekenfonds analyseerde een hele resem gezondheidsindicatoren, en de rode draad is duidelijk. Hoe lager je inkomen, hoe meer kans dat je vroegtijdig sterft. Hoe armer, hoe meer kans je maakt op chronische ziekten, zoals diabetes en copd. De meest kwetsbaren hebben twee keer zoveel kans om antipsychotisch behandeld te worden als de meest welvarende. De bevolking uit de meest precaire wijken heeft verhoudingsgewijs meer contact met een psychiater en worden 1,6 keer meer opgenomen om redenen van geestelijke gezondheid. Hoe armer, hoe minder gebruik gemaakt wordt van preventieve maatregelen om je gezondheid op peil te houden. Last but not least zien we dat de meest kwetsbare groepen zorgen steeds meer uitstellen.

Context

  • Het bestrijden van gezondheidsongelijkheden is een van de speerpunten van het memorandum van het Socialistisch Ziekenfonds. Het is onaanvaardbaar dat mensen met een lager inkomen of lageropgeleid een minder goede gezondheid hebben dan mensen uit een betere klasse. De gezondheidsongelijkheid blijft evenwel hardnekkig, blijkt uit een diepgaande studie van het Socialistisch Ziekenfonds.

Methodologie

  • Gezien we niet over de inkomens van onze leden beschikken, hebben we een onrechtstreekse toekenning van inkomens moeten doen. Dit doen we door ervan uit te gaan dat leden een inkomen hebben gerelateerd aan hun statistisch sector (‘wijk’). Deze gegevens worden verzameld aan de hand van de fiscale statistieken van de Federale Overheidsdienst (FOD Economie). Belastinggegevens hebben betrekking op het totale netto belastbaar inkomen van het huishouden: het bestaat uit alle netto-inkomsten (inkomsten uit onroerend goed, inkomsten uit vermogen en roerende goederen, bedrijfsinkomsten en diverse inkomsten), verminderd met aftrekbare kosten.
  • Na het “plakken” van het mediane inkomen van de statistische sector waar het lid woonachtig is, kunnen we de totale bevolking onderverdelen op basis van het inkomensniveau. We hebben ervoor gekozen om de populatie onder te verdelen in acht subpopulaties (op basis van de statistische sectoren). Dit resulteert in een rangschikking van ons ledental op een sociale stratificatieschaal. De eerste subpopulatie omvat 5% van de leden van de Socialistische Ziekenfondsen (156.705 personen) die in de meest kwetsbare statistische districten wonen, terwijl de laatste subpopulatie 5% van de leden (157.895 personen) omvat, die in de meest welvarende statistische sectoren verblijven (tabel 23).

Tabel 23: Rangschikking van de aangeslotenen volgens sociale hiërarchie

Bron : Socialistische Mutualiteiten (2016)

  • Vervolgens kunnen we aan de hand van de administratieve en terugbetalingsgegevens van 2016 (op het niveau van de verplichte verzekering) voor de 3.156.962 socmut-leden waarvan het woonadres bekend is, voor de totale bevolking en binnen de verschillende deelpopulaties een reeks indicatoren berekenen. Deze indicatoren illustreren de verschillende dimensies van de impact van sociale ongelijkheid op de gezondheid. Deze verschillende invalshoeken hebben betrekking op:
  • Het socio-demografisch profiel;
  • Sterftegraad;
  • Morbiditeit en gezondheidstoestand;
  • De vraag naar zorg en de consumptie ervan;
  • En tot slot het gebruik van preventie.
  • Om de verschillen in bevolkingsopbouw tussen groepen (leeftijd, geslacht of regio) en de effecten die daaraan kunnen worden toegeschreven te corrigeren, presenteren we de resultaten in de vorm van gestandaardiseerde indices. De gebruikte standaardisatiemethode is de indirecte standaardisatie.
  • De indicatoren werden berekend voor 2016

Belangrijkste resultaten

Indicatoren socio-economisch profiel

  • De meest kwetsbaren zijn gemiddeld jonger (35 jaar) en de leeftijd neemt toe naarmate je de sociale ladder beklimt tot 42 jaar in de hoogste sociale groep.
  • Er zijn veel meer eenoudergezinnen onder de laagste inkomensgroepen en hun aandeel neemt gestaag af naarmate het inkomen toeneemt. Als we de verhouding tussen de twee extreme groepen op sociale schaal berekenen, zijn er 4 keer meer eenoudergezinnen onder de precaire groep dan onder de rijken.
  • Meer rechthebbenden verhoogde tegemoetkoming en meer langdurig werklozen. Het aandeel van de RVT’s is 4 keer zo hoog bij de armen als bij de rijken, en een twee keer zo hoog aandeel werklozen binnen de kwetsbare bevolkingssubgroep.

Tabel 24: Socio-demografisch profiel van de aangeslotenen per sociale groep

Bron : socmut (2016)

Indicatoren gezondheid

  • Meer sterfte bij lagere sociale klassen. De laagste sociale klasse heeft een verwachte sterfte die 18% hoger ligt dan het gemiddelde bevolkingsniveau (vastgesteld op 100%), terwijl het percentage voor de hoogste sociale klasse 29% lager ligt. De overmatige sterfte aan de onderkant van de sociale schaal is nog meer uitgesproken wanneer de situatie vóór de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 wordt geanalyseerd. Op basis van gestandaardiseerde sterftecijfers in 2016 wordt geschat dat er voor een bevolking van 150.000 mensen 402 sterfgevallen zijn onder de meest kwetsbare mensen vergeleken met 174 onder de rijkste (figuur), dat is 2,3 keer meer.
  • Meer gehandicapten en chronisch zieken bij lagere sociale klassen. Het percentage mensen met een handicap in een sociale groep is systematisch hoger dan in de hogere sociale groep. Als we standaardiseren voor leeftijd, geslacht en regio, zien we dat er 3,2 keer meer mensen met een handicap zijn onder de kwetsbare groepen dan onder de rijken. Hoe ouder, hoe meer uitgesproken deze kloof. Er zijn veel meer chronisch zieken (gedefiniteerd via statuut) onder de meest kwetsbaren, 18% meer dan in de algemene bevolking (index op 100%) Aan de andere kant zijn ze 21% minder bij de meest bevoorrechten. Er zijn twee keer zoveel mensen met diabetes onder de minder begoeden als onder de welgestelden. Vergeleken met de gemiddelde bevolking zijn er 6% meer mensen met chronische bronchitis onder mensen uit de meest achtergestelde socio-economische milieus, terwijl er 10% minder COPD-patiënten in de meest bevoorrechte wijken woonachtig zijn
  • Slechtere geestelijke gezondheid bij lagere sociale klassen. De meest kwetsbaren hebben twee keer zoveel kans om antipsychotisch behandeld te worden als de meest welvarende. De bevolking uit de meest precaire wijken heeft verhoudingsgewijs meer contact met een psychiater gehad dan gemiddeld (het verschil is meer dan 10%), terwijl die uit de meest welvarende wijken minder talrijk zijn (het verschil is bijna 20% voor de meest welvarende wijken). De precaire mensen zijn 1,6 keer meer opgenomen om redenen van geestelijke gezondheid dan de bevolking en 2,3 keer meer dan de welgestelden.
  • Minder preventie bij lagere sociale klassen. De dekking van vrouwen uit de meest kwetsbare groep is 14% lager dan die van de totale vrouwelijke bevolking in termen van borstkankerscreening en 11% lager in het geval van baarmoederhalskankerscreening. Anderzijds worden vrouwen uit de hoogste sociale groep vaker gescreend dan gemiddeld, met een verschil van 12% in het geval van borstkanker en 13% in het geval van baarmoederhalskanker. Het aandeel tienermoeders ligt tot 7,5 keer hoger bij de meest achtergestelde sociale groepen dan bij de meest bevoorrechte sociale groep. De griepvaccinatiegraad neemt toe bij  de 65-plussers van de betere socio-economische categorieën. Preventieve tandheelkundige zorg komt minder vaak voor in de lagere sociale klassen: we hebben 10% minder mensen dan de gemiddelde bevolking. Aan de andere kant wordt preventief gedrag in de tandheelkundige zorg belangrijker naarmate je hogerop de sociale ladder klimt, met 19% meer mensen die preventief contact hebben met de tandarts dan het gemiddelde aan de top van de schaal. De therapietrouw voor geneesmiddelen (indicator gemeten voor statines) ligt significant lager bij de lagere klassen.

Indicatoren zorgconsumptie

  • Minder maar meer contacten huisarts bij lagere sociale klassen. Mensen met een meer precaire achtergrond zullen minder snel een huisarts raadplegen, maar ze gebruiken hem of haar meer thuis. Het gemiddelde aantal contacten in 2016 is systematisch hoger bij de sociaal zwakkeren (1,2 keer meer raadplegingen en 1,5 keer meer bezoeken) dan bij de sociaal welgestelden.
  • Minder maar meer contacten specialist bij lagere sociale klassen. Het aandeel van de mensen die een specialist raadplegen ligt lager bij de mensen bij de meest achtergestelde sociale klassen (-4% ten opzichte van het gemiddelde binnen de totale bevolking) en neemt toe met de sociale positie (+4% ten opzichte van het gemiddelde) . Maar zodra kansarmen een gespecialiseerde arts raadplegen, gaan ze vaker naar hem (of een andere specialist) in een periode van 1 jaar.
  • Meer gebruik spoed bij lagere sociale klassen. De meest kwetsbare mensen gaan 1,4 keer vaker naar de spoeddiensten (al dan niet na doorverwijzing van een huisarts) dan de meest welgestelde mensen.
  • Meer en langere ziekenhuisopnames bij lagere sociale klassen.
    • Het aandeel van de leden die in 2016 minstens één keer in het ziekenhuis werden opgenomen is hoger (tussen +8% en +10% in de eerste en tweede sociale groep) bij kansarmen in vergelijking met het gemiddelde van de bevolking (100%);
    • Een groter aandeel onder hen wordt minstens zes keer per jaar in het ziekenhuis opgenomen (+18% van de meest kwetsbaren) en voor langere periodes (+12%) in vergelijking met het gemiddelde van de bevolking (100%);
    • Het tegenovergestelde geldt voor de rijkste groepen: het aandeel van de gehospitaliseerde leden is 20% lager dan het gemiddelde van de bevolking, het aandeel van de gehospitaliseerde leden is minstens zes keer per jaar opgenomen werden 24% lager en voor een lagere duur van 11%.

Onze voorstellen

  • ziek zijn mag niet arm maken: we halveren de ongelijkheid
  • betaalbare zorg: een tarief is een tarief
  • menselijke zorg met gemotiveerd en voldoende zorgpersoneel
  • Een onbezorgde oude dag, betaalbare ouderenzorg voor iedereen
  • Werken in goede gezondheid. Werkbaar werk
  • Kwalitatieve en doelmatige zorg. De juiste zorg voor iedereen, zonder verspilling.
  • Onze sociale zekerheid mag geld kosten. Solidaire financiering